Filosooftekoop
Site van Martine Berenpas
Welkom
Over mij
Sartre/Levinas
Filosofieblog
Thauma
Onderzoek Spinoza en Franse denkers
Andere artikelen
Korte verhalen
Publicaties
Contact
Gedichten
 
 
 


Geen woorden

Ik heb geen woorden
om jou te omschrijven.
Misschien komt dat later,
als een onverwachte regenbui.

Gisteren vond ik bijna een woord
dat me deed denken aan jou
Ik vergat het op te schrijven
en het verdween in de nacht.

Ik heb jou nog niet bedacht.





  
De bomen reiken naar boven
geduldig, zonder aarzeling
omdat zij nog blijven geloven
in de hemelse verlossing
 
De bomen spreiden hun armen
om zich zo een weg te banen
Zoals de hemel hen kan verwarmen
zo openen zij hun bladeren voor de tranen
 
 
Het schip zucht op haar bogen
Een laatste gelovige legt zich biddend neer
Het binnenste niet langer opgetogen
Want God is dood en herrijst niet meer
 
Een laatste kiek wordt nog genomen
Door een toerist die het heilige niet raakt
Geen pelgrimstochten zijn langsgekomen
De kerk is oud en zwartgeblaakt
 
En de dominee schuifelt voorzichtig
Geeft zijn laatste zegening
De stilt valt, koud maar evenwichtig
Bevestigt de allerlaatste bekering
 
 
Het denken zal geen levenswijsheid geven
Geen raadsel zal het oplossen, wellicht zal zij er één bedenken
Het denken schept geen nobel streven
Het zal je geen directe kracht tot handelen schenken
 
Het denken is geen grijpen, niet klaar van consumptie
Het denken ken geen onderscheiding
Het is leeg van elke assumptie
Het is enkel de stille grond van de verwijding
 
Het denken is een voortdurend ontvangen
Het is de concrete uiting van nood
Het is het meeste zuivere verlangen
Naar de wortels van de ziel in het verlangen naar de dood
 
 
De zon verdwijnt achter de horizon
Begroet de avond zoet en teer
Die nu zijn ware aard tonen kon
Een zwoele avond van weleer
 
Even maar zal hij in zijn lot vertoeven
Dan zal hij weer verblind worden door het licht
Maar dat zijn zorgen die nog geen angst behoeven
Want de avond trekt zijn einder nog niet dicht
 
Avond aan avond zal ik hier blijven
In de oneindigheid van de duisternis
Zal ik al die woorden opschrijven
Die ik in het zonlicht mis
 
 
Monte Alban
 
Vergeet de stilte
Omarm het zwijgen in je ziel
Versta de kilte
Die hier op de vlakte viel
 
Miljoenen jaren rust
Kruisen elkaar in het licht
Het zonlicht dat je kust
Geeft je een nieuw gezicht
 
Vergeet niet hier je adem te horen
Het leven te voelen in al zijn kracht
Hier kom je tot jezelf als nooit te voren
Het zwijgen dat je tot jezelf bracht
 
 
Zijn bevelen worden verhoord
Hij is de vleesgeworden God
Hij krijgt alles wat hem bekoort
Gekozen tot koning door het lot
 
Zijn sterven is een sterven van de stad
Betekenisloos zal die zijn na zijn dood
Hij is alles wat ze hebben gehad
Onder hem werd de beschaving groot
 
Belet niemand om zijn graf te eren
Omringd met Jade gaat hij op reis
Geen speren om zich te kunnen weren
Geen weg terug meer naar het paradijs
 
 
De wereld is een wachten-op
Omarmt je in jouw receptiviteit
De wereld is een wachten-op
Zij kust je wanneer je ziel zich verwijdt
 
De wereld is een wachten-op
Zij verlangt van jou geen strijd
De wereld is een wachten-op
Zij reflecteert haarzelf in jouw openheid
 
Open jezelf en ontvang het fenomeen
De wereld in haar meest zuivere vertoning
Laat zich tonen door jou heen
Het wachten-op als mooiste beloning
 
 
De wind breekt de dagen
Vloert de wereld met zijn vlagen
Breekt de wortels van de bomen
Vervaagt de tijd in de dromen
 
De wind geeft geen richting aan zijn blazen
Hij blijft maar doorgaan; hij blijft maar razen
Totdat hij moe is van al zijn zuchten
En hij een opklaring vereist van zijn luchten
 
 
De bladeren voelen het nabije sterven
Nemen alvast een levenloze pose aan
Als de koude tijden hun levenslust bederven
komt de boom kaal en naakt te staan.
 
De wind zal de pijn van de bladeren verzachten
Spreekt voor hen een schietgebed uit
Dan blaast de wind met al zijn krachten
het bladerdek van de takken, terwijl hij fluit
 
 
Bespot de dichter die met zijn dwaze woorden
Zinnen heeft opgeschreven louter omdat ze hem bekoorden
De dichter die de wereld probeert te verleiden, met zijn zoete tonen
en die praat over vreemde zaken die de arbeid niet lonen.
 
Bespot de dichter die de wereld zachter doet voorkomen
die kwinkslagen gebruikt die je navolgen in je dromen
die probeert om door de taal van de muziek je te bedotten
De dichter die praat over de geuren van vers fruit, terwijl ze rotten
 
Vertrouw geen dichter, niet in goede niet in slechte tijden
Probeer deze muzenzoon zoveel mogelijk te vermijden
Geef aan zijn muziek van woorden geen enkel gewicht
Zorg dat op afstand blijft, zodat je niet voor zijn gejammer zwicht.
 
 
De wind vond de ritseling en was verblijd;
kreeg iemand om van te houden. Wie de wind
niet voelt, is koud geworden als steen
vindt diepte van de afgrond en de pijn.
 
De wind drong tot mij door. Weldra begon
de afgrond te wijken en mijn hart te kloppen
totdat ik loskwam van alles en niet kon staan,
misselijkheid mijn ledematen vulde.
 
Een zomerbriesje blijft nog hangen
Verhult de sporen van bijbehorende bitterheid.
Elk moment kan het mijn keel afknijpen.
De nukken van de wind; nauwelijks te begrijpen.
 
 
Ik heb de herinnering uitgekozen
die na zijn vertrek het meeste op haar lijkt.
Naarmate langzaam de tijd van het,
mij nog altijd treffend verdriet verstrijkt.
 
Een moeder die geen kind wilde strelen,
haar bed, haar kleren, haar foto die ik bekijk;
kijkend in haar spiegel schrik ik,
omdat ik zie dat ik op haar lijk.
 
Straks ben ik even oud als zij, streel ik
mijn dochter, en wat is geweest
wordt weer zoals het was, ben ik het
die de angst in haar dochters ogen leest.
 
 
Je bent niet veranderd, maar ik ben
gaan lezen. Vreemde woorden
nemen de wereld in bezit.
Hoor je mij nog? In de schaduw,
afwezige aanwezigheid in de stilte.
Ik zoek nog naar mooie woorden,
zinnen die ik kan gebruiken,
nu je weg bent.
 
 
De filosoof had nagedacht,
Langdurig, zonder een oplossing te vinden,
en keek met verwarde ogen naar de wereld.
Vroeg zich af:
Wie ben ik?
 
Een mens, verloren in de wereld,
homo sapiens zonder bestemming.
Darwin had zijn tanden gezet,
in de betovering van het leven:
Wie ben ik?
 
Als er een vraag was die
altijd zou moeten worden gesteld,
zou het dan zijn:
Wie ben ik?
 
Wankelende vragen,
Vergeten dagen.
Kiekjes die de dagen vasthouden:
Wie was ik?
 
 
Ik heb altijd dicht bij het boek geleefd
zonder haar precieze inhoud te kennen.
Ik heb de bladzijdes gekoesterd en gestreeld,
gewandeld op het ritme van de zinnen
en de woorden geproefd als zuiver goud.
 
Eén woord van betekenis was genoeg
om de kilte van de belevenis te verstommen,
hoewel zij strelend kan zijn en verleidend
kent zij geen waarheid die mij paait.
 
Tot het boek vergeelde en ik zelf ging schrijven
en versleten woorden deelgenoot maakte
van de magische stroom van de herinnering.
 
 
Hij is nieuwsgierig naar de vlokken
van de sneeuw, de aarde die blijft draaien,
pianoakkoorden, gebrandmerkte schilderijen.
Hij is op zoek naar de fijnste geuren, stukken lava
die hij vond bij een uitgespuwde vulkaan en hij heeft
in zijn jaszak de namen van cafés waar dichters kwamen.
 
Hij kent de steden, benoemt de bloemen,
begrijpt de dieren op het land en maakt
van alles iets bijzonders, omdat hij
vol bewondering kan leven.
 
Hij bekijkt de wereld met een open oog,
en neemt de tijd voor ‘s werelds mysterie.
Kan niet wachten om weer iets te ontdekken,
en te vertellen over vreemde sterren in het heelal,
kikkers op de oever, schelpen die niet uitkomen,
vergeten akkoorden van een ontstemde gitaar,
en hoe alles anders is als je er maar goed naar kijkt.
 
Hij is zoals je zegt een ontdekkingsreiziger,
een eenling omdat hij ziet wat anderen vergeten.
Van alles wat hij doet, geeft hij blijk
van ongekend verlangen naar het mysterie,
het leven dat zich ontspant in de blik van het onbekende.
 
 
Het is maar beter niet te rekenen
op warmte of genegenheid, want zij zien
je niet staan, enkel stilzwijgende haten.
 
Geen thuis roept in deze dagen
van koude mist en sneeuw, je bent
geen kind meer, ze kunnen je alleenlaten.
 
Zonder thuis kom jij de dagen door
op weg naar de volwassenheid,
je bent al lang daar ingewijd.
 
Je aanwezigheid wordt gedogen
tussen snerende woorden, vind jij je weg
en je verzetten tegen die pijnlijke woorden,
heeft geen zin, bespaart enkel met tussenpozen,
de onverbiddellijke stilte die het thuis zijn vermijdt.
 
 
 
Wanneer de avond voorbij is
als een heel leven,
 
de schemering geeft nog
te zien wat net nog was,
 
zonovergoten terras,
een half glas wijn nog op tafel.
 
Ze zijn naar huis
en het licht gaat aan.
 
 
Wakker worden en
de zon voelen op je naakte huid.
Treed al aan, je ogen pas half open,
wakker maar toch nog stilstaand slapend.
 
Streelt het konijn op de weg naar koffie.
Spreid het bed open, wachtend op dromen
dagen die blijven, dagen die komen.
 
Zo zal het opstaan altijd verlopen,
rustig, zonder woorden, liefkozend.
Wakker worden is schemeren tussen dood en bestaan.