Sporen van Spinoza
Kennis van SpinozasMetafysica en Kenleer in Franse filosofen tussen 1700-1750


Martine Berenpas
Universiteit Leiden, Instituut Wijsbegeerte Faculteit Geesteswetenschappen
Studentnummer S050523
Onderzoek in het kader van het Honours Research Programme
Maart 2009
Inhoud
Hoofdstuk 1 : Het onderzoek 5
1.1 Inleiding 5
1.2 Doel van het onderzoek 5
1.3 Vraagstelling 6
1.4 Literatuur 6
Hoofdstuk 2: Het denken van Spinoza 7
2.1 Inleiding 7
2.2 Spinozas metafysica 9
2.3 Spinozas kenleer 10
2.4 De invloed van Spinoza 12
2.5 Bibliografie 12
Inleiding: Spinoza in Frankrijk 13
Hoofdstuk 3: Fontenelle 16
3.1 Inleiding 16
3.2 Éloge de Régis 16
3.3 Histoire des oracles (1687) 19
3.4 Conclusie 20
3.5 Bibliografie 20
Hoofdstuk 4: Traité des trois imposteurs 21
4.1 Inleiding 21
4.2 Inhoud 22
4.3 Conclusie 23
4.4 Bibliografie 24
Hoofdstuk 5: Diderot 25
5.1 Inleiding 25
5.2 Entretien entre D’Alembert et Diderot 25
5.3 La promenade du sceptique 27
5.4 De Encyclopédie 28
5.5 Conclusie 30
5.6 D’Alembert: “Essai sur les éléments de philosophie" 30
5.7 Bibliografie 32
Hoofdstuk 6 : Voltaire 33
6.1 Inleiding 33
5.2 Referenties naar Spinoza 34
5.3 Conclusie 35
Hoofdstuk 7: Conclusie 36
Bijlagen: Sporen van Spinoza 40
Hoofdstuk 1 : Het onderzoek
1.1 Inleiding
Deze scriptie is het resultaat van het onderzoek dat is gedaan in het kader van het Honours Research Programme van het Instituut Wijsbegeerte, Faculteit Geesteswetenschappen. Doel van het Research Programme is inzicht te krijgen in wijsgerig onderzoek. Het onderzoek heeft een omvang van 5 ECTS wat gelijk staat aan 140 uur. Het onderzoek wordt uitgevoerd bij Eric Schliesser en valt onder de specialisatie Geschiedenis van de Wijsbegeerte.
1.2 Doel van het onderzoek
Het doel van het onderzoek is het nagaan in hoeverre Franse filosofen uit de vroege 18e-eeuw kennis hebben van Spinozas metafysica en kenleer. Lange tijd is aangenomen dat Spinoza weinig invloed had onder filosofen, ondanks dat zijn filosofie onderwerp was van heftige discussies
. In onze tijd is echter door onderzoek van met name Jonathan Israel, de aandacht voor Spinoza hernieuwd. In zijn boek Radical Enlightenment bedeelt Israel Spinoza een grote rol toe in het Verlichtingstijdperk en stelt Israel dat Spinoza de meest radicale verlichter was van zijn tijd
. Israel geeft echter geen argumenten uit de teksten van filosofen waaruit blijkt dat Spinozas invloed groter is dan dat tot op heden is aangenomen. Vanwege de gestelde uren van de scriptie, zal het onderzoek zich beperken tot de Franse filosofie. Dit onderzoek wil zich daarom richten op het onderzoeken van primaire teksten van Fontenelle, Diderot, D’Alembert en Voltaire om te kijken of zij verwijzen naar Spinozas filosofie.
1.3 Vraagstelling
De centrale vraag in dit onderzoek is: “In welke mate hebben Franse filosofen uit begin 18e-eeuw kennis van de metafysica en de kenleer van Spinoza?”. Hierbij zal gezocht worden naar directe verwijzingen naar de persoon Spinoza, maar ook naar indirecte verwijzingen naar Spinozas filosofie. Voor het onderzoek zal met name Spinozas Verhandeling over de verbetering van het verstand en De Ethica worden gebruikt.
1.4 Literatuur
De volgende literatuur zal worden onderzoek naar invloeden van Spinoza:
Voltaire. Les Oeuvres completes de Voltaire. Oxford, 2006
.
Diderot, D. L’encyclopedie de Diderot et d’Alembert ou Dictionnaire raisonne des sciences, des arts et des métiers. 1976.
Diderot, D. Oeuvres. Tome I-V. 1994. Paris : Bouquins.
Fontenelle, Le Bovier, B. Oeuvres Completes. 1989. Paris:Fayard.
D’Alembert (1759). Essai sur les éléments de philosophie.
Hoofdstuk 2: Het denken van Spinoza
“Want ik beweer niet de beste filosofie gevonden te hebben, maar ik weet, dat ik de ware wijsbegeerte versta.”
Spinoza – Brief aan Albert Burgh
2.1 Inleiding
Baruch
de Spinoza (1632-1677) was van Portugees-Joodse afkomst en wordt vandaag de dag gezien als één van de belangrijkste denkers van de Verlichting. Dit is echter niet altijd zo geweest. Ten tijde van de Verlichting werd Spinoza gezien als een vreemde denker, die ‘een obscuur systeem’ verdedigde
en atheïsme omarmde. Vandaag de dag is Spinoza echter een belangrijk filosoof. Er is veel aandacht voor zijn gedachtegoed en hij is recentelijk ook opgenomen in ons historische canon. Jonathan Israel beweert zelfs dat Spinoza de meest belangrijke en invloedrijke radicale denker was van de Verlichting
.
Spinozas radicale gedachtegoed was ook al in zijn eigen tijd erkend, echter toen op een veel minder positieve manier. Spinoza werd als 24-jarige uit de Joodse gemeente gestoten vanwege ‘afschuwelijke ketterijen’
. Tot op de dag van vandaag is het onduidelijk wat de precieze reden van Spinozas verbanning uit de synagoge was. Nadler (1999) suggereert dat de reden van de verbanning Spinozas ideeën over de ziel waren, terwijl Gullan-Whur (2000) oppert dat het ook mogelijk is dat Spinoza niet om zijn religieuze ideeën werd gehaat, maar in zakelijk opzicht de Joodse leiders aanstoot gaf. Wel is bekend dat Spinozas werk,waaronder de Ethica en het Politiek-Theologisch Traktaat veel kritiek te verduren kreeg en in veel landen werd verboden.
Spinozas werk concentreert zich met name op de relatie tussen natuur, God en de mens. Ook de Cartesiaanse filosofie trok Spinozas aandacht. Het is waarschijnlijk dat Spinoza deze laatste interesse heeft gekregen via Frans van den Enden, waar Spinoza na zijn excommunicatie in huis woonde
. Van den Enden bezat een boekhandel en had veel werken op het gebied van Cartesiaanse filosofie. Waarschijnlijk kwam Spinoza via van den Enden in aanraking met de filosofie van Descartes. In ieder geval heeft Spinoza in deze tijd Latijn geleerd van van den Endens dochter Clara
en begon hij zijn gedachten op te schrijven.
Spinoza heeft geen wijsgerige school gevormd. Dit was voornamelijk te wijten aan het feit dat zijn filosofie te weinig strookte met het conceptuele kader van het Christelijke-Europese denken. Lange tijd is daarom aangenomen dat Spinoza in de 17e en 18e-eeuw weinig aanhangers had en dat zijn werk weinig werd gelezen
. Niet alleen werd Spinoza hevig bekritiseerd vanuit het invloedrijke Cartesianisme, ook werd hij door zijn standpunten over God verguist door theologen. Dat Spinozas leer voor lange tijd taboe bleef, blijkt wel uit het feit dat Abraham de Kuyper in 1896 nog beschuldigd is van Spinozisme door de kerkraad
.
In de 17e-eeuw werd in de wetenschappelijke wereld het oordeel over Spinozas filosofie vaak gemaakt op grond van Pierre Bayles artikel over Spinoza in de Dictionnaire Historique et Critique (1702). Bayle karakteriseert Spinoza in dit artikel als een zonderlinge atheïst die een nieuwe methode van filosoferen introduceerde en er niet van hield dat de vrijheid van filosoferen werd beperkt. Bayle laat het in het artikel ook niet na om zijn eigen oordeel te geven over Spinozas wijsgerig systeem: “C’est la plus monstreuse hypothèse qui se puisse imaginer, la plus absurde et la plus diamétralement opposée aux notions les plus évidentes de notre esprit."
.
Omdat Spinozas filosofie afweek van zijn tijdgenoten, zal zijn metafysica en zijn kenleer kort uiteen worden gezet.
2.2 Spinozas metafysica
Spinozas metafysica is een antwoord op twee problemen van de filosofie van Descartes. Het eerste probleem van Descartes is zijn rationalisme. Spinoza stelde vast dat Descartes onvoldoende antwoord kan geven op elke ‘waarom’-vraag. In tegenstelling tot Descartes die een onderscheid maakte tussen wat absoluut noodzakelijk is en wat causaal noodzakelijk is, voerde Spinoza een strikt rationalistisch standpunt in ten aanzien van oorzaken. Spinoza stelde dat er enkel een keten van noodzakelijke verbanden bestaat. Daarnaast corrigeerde Spinoza Descartes’ diffuse opvatting van substantie, wat ertoe leidde dat Descartes een dualistisch wereldbeeld moest aanhangen. Spinoza maakte van het dualisme van Descartes een monisme door te bewijzen dat: “God is unique, that is (by D6), that in Nature there is only one substance, and that it is absolutely infinite.”
. Eindige lichamen zijn volgens Spinoza modi van deze oneindige substantie. Het geestelijke en lichamelijk deel van het menselijk lichaam vallen in Spinozas systeem onder de attributen van de substantie.
2.3 Spinozas kenleer
Met de Verhandeling over de verbetering van het verstand (1658) probeert Spinoza op zoek te gaan naar ‘iets dat waarlijk goed is’
. Dat wat waarlijk goed is, moet echter niet gezocht worden in rijkdom, eer en lust, omdat deze dingen de geest juist afleiden waardoor de geest niet in staat is om goed na te denken. Het eeuwige en oneindige dat Spinoza aanmerkt als het goede is waarnaar gestreefd moet worden, omdat dit de ziel met vreugde vervult en het doel niet tijdelijk of vluchtig is. Het inzicht dat iets goed is, betekent echter niet dat er daardoor ook gehandeld wordt overeenkomstig met het doel. Om deze overeenstemming te kunnen bereiken is voor Spinoza het belangrijk dat er zoveel mogelijk van de natuur wordt begrepen.
Hiervoor zijn volgens Spinoza een drietal leefregels nodig, zodat we de hoogste menselijke volmaaktheid kunnen bereiken. De eerste leefregel stelt dat naar het begrip van het volk moet worden gesproken en gehandeld. Daarnaast is het nodig dat wij in onze behoeften voorzien zodat wij gezond blijven. Tot slot is het noodzakelijk dat zoveel rijkdom wordt verworven om de gezondheid van lichaam en geest op pijl te houden.
Omdat het belangrijk is dat er zoveel mogelijk van de natuur wordt begrepen, begint Spinoza zijn onderzoek bij de percepties. Volgens Spinoza kunnen de percepties tot vier fundamenten worden herleid: een perceptie op grond van wat we horen; perceptie op grond van ervaringen die niet door het verstand worden bepaald (een perceptie die een essentie aangeeft maar die afgeleid is van iets anders
) en tot slot perceptie waarvan we bewust worden van de essentie of van een voorafgaande oorzaak. Om de juiste soort perceptie te bepalen, moeten we wederom aan vier regels voldoen. We moeten ten eerste de natuur zo goed mogelijk kennen, we moeten ten tweede op grond daarvan de verschillen en overeenkomsten van dingen analyseren, waarna wij goed moeten begrijpen welke veranderingen de dingen kunnen ondergaan en welke niet. Tot slot is nodig dat we deze observaties vergelijken met de vermogens van de mens. Deze methode is kort samen te vatten als de reflexieve methode: het laat zien hoe men de geest met een gegeven waar idee als norm moet sturen. Hierdoor wordt de geest niet bezig gehouden met nutteloze dingen.
Om ware kennis te krijgen, is het belangrijk dat de essentie van dingen wordt onderzocht en bepaald. De essentie van dingen kan worden bepaald door te zoeken naar de directe oorzaken van dingen. Als een ding geschapen is, dan moet gekeken worden naar de directe oorzaak die zijn bestaan heeft veroorzaakt. Wanneer een ding ongeschapen is, dan heeft dit ding geen directe oorzaak en dient het ding vanuit zichzelf begrepen te worden.
Om de directe oorzaken van de dingen te kunnen bepalen, bespreekt Spinoza enkele ‘hulpmiddelen’ welke bestaan uit het ‘leren te gebruiken van onze zintuigen’
. Omdat echter het doel is het verbeteren van het verstand, erkent Spinoza dat het daardoor nodig is het denken zelf af te leiden uit de definitie van verstand. Spinoza bespreekt hierna een aantal eigenschappen van het verstand, waarna de verhandeling afbreekt.
2.4 De invloed van Spinoza
Spinoza was met name in zijn tijd bekend om zijn vermeende atheïstisch standpunt. Het verspreiden van zijn werk verliep doordat de Kerk niet gecharmeerd was van Spinozas werk, veelal via indirecte wegen. Het is daarom moeilijk om de invloed van Spinoza op filosofen van zijn tijd te bepalen. In het volgende hoofdstuk zal ik licht proberen te werpen op de invloed die Spinoza heeft gehad op Franse filosofen van zijn tijd.
2.5 Bibliografie
Bayle, P. (1702). Lemma over Spinoza. Dictionnaire Historique et Critique. 1969. Genève: Slatkine Reprints.
Curley, E, (1994). A Spinoza Reader. The Ethics and other Works. Princeton University Press.
Gullan-Whur, M. (1998). Spinoza. Een leven volgens de rede. Rotterdam: Lemniscaat.
Israel, J.I. (2001). Radical Enlightenment. Oxford: Oxford University Press.
Spinoza, B. Verhandeling over de verbetering van het verstand. Vertaald door Theo Verbeek. 2002. Groningen: Historische Uitgeverij.
Tak, W.G. van der (1928). Bento de Spinoza. Den Haag: Martinus Nijhoff.
Inleiding: Spinoza in Frankrijk
Het boek “De Religie van de Hollanders” (1673) van de kolonel van het Franse leger Jean-Baptiste Stouppe (1651-1673) was het eerste in Frankrijk gedrukte werk dat het wijsgerig systeem van Spinoza uiteenzette. Het boek werd in pamfletvorm uitgegeven en ging over het gebruik van de rede. Mede vanwege zijn vorm en het slecht geschreven Frans, werd het boek niet in alle kringen gelezen
. Spinozas originele werk werd ook nauwelijks gelezen in Frankrijk. Dit kwam enerzijds omdat er vanaf 1673 een officieel verbod was op de werken van Spinoza en in het bijzonder zijn Theologisch-Politiek Traktaat. Daarnaast heeft Spinoza zijn werken in het Latijn geschreven, waardoor zijn filosofie enkel voor de intellectuele kringen toegankelijk was.
Mede om bovenstaande redenen, is het moeilijk te traceren hoe het werk van Spinoza zich verspreidde in Frankrijk. Vernière (1954) wijst op de invloed van Spinozas goede vriend Franz van den Enden die vanaf 1671 in Parijs verbleef. De rol van Van den Enden in de verspreiding van Spinozas gedachtegoed is echter allerminst duidelijk.
Wat wel zeker is, is dat Pierre Bayle in 1679 in Parijs het Opera Posthuma kocht. In 1678 kreeg Spinoza daarnaast zijn eerste officiële Franse referentie, geschreven door de theoloog Louis Thomassin (1619-1695):
“Dit in het Latijn geschreven boek met de titel Tractatus Theologico-Politicus, door een zekere Spinoza, een Jood uit Amsterdam die zich Rooms-Katholiek noemt en die in februari 1678 gestorven in Amsterdam is, zonder enige religie, alsmede dat zijn boek daarin rechtsgeldig is. Degene die dit boek heeft vertaald heeft zeer goede opmerkingen gemaakt en hij is in de gevoelens van de auteur gekomen, hoewel gezegd moet worden dat het gemakkelijker geschreven is dan vertaald. Ikzelf waardeer de vertaling meer dan het origineel; de auteur van dit boek is een grote Cartesiaan en een grote redenaar...dat is gevaarlijk voor een jonge geest die niet zeer solide is en die gedreven wordt tot losbandigheid et die niet opgewassen is tegen de doctrine van deze auteur die alles aan de natuur geeft, die een religie geeft op zijn manier, die als principe van de innerlijke cultuur de rechtvaardigheid en de vrijgevigheid geeft, dat met deze twee kwaliteiten (sic) men de hele religie kan zijn, dat zijnde onverschillig, en dat de prins de heerser is van de externe cultuur.”
Tomassin is in tegenstelling tot veel van zijn tijdgenoten redelijk mild over de TTP , al waarschuwd hij wel voor de negatieve invloed die het boek kan hebben op jonge denkers. Opvallend is dat de Ethica van Spinoza gemakkelijker zijn doorgang vond onder de Franse intellectuelen dan de TTP
. De inhoud van de Ethica werd ook positiever gewaardeerd dan de inhoud van de TTP, al was de radicale andersheid van Spinozas filosofie wel een punt van discussie. De theoloog Franςois Fenelon (1651-1715) schreef bijvoorbeeld aan de apologeet Franςois Lamy (1636-1711):
“Spinoza heeft de geometrische methode gebruikt om aan zijn werk een bouwwerk van exactheid en van demonstratie te geven.”
Lamy was echter minder gecharmeerd van het werk van Spinoza dan Fenelon. Net als de Cartesiaan Pierre-Sylvain Régis schreef Lamy een weerlegging van Spinozassyteem onder de titel: “Le Nouvel Athéisme Renversé, ou réfutation du système de Spinosa” (1696).
Israel beweert in Radical Enlightenment dat met name Fontenelle, Diderot en Voltaire beïnvloed zijn door het denken van Spinoza. Om de invloed van Spinoza op deze denkers na te gaan, zal gezocht worden naar referenties naar Spinoza in het werk van deze Franse denkers. In hoofdstuk 3 zal de invloed van Spinoza op het denken van Fontenelle worden besproken. In hoofdstuk 4 ga ik in op het clandestiene werk Traité des trois imposteurs. Dit werkt verwijst direct naar de filosofie van Spinoza, maar de auteur is tot op de dag van vandaag onbekend. In hoofdstuk 5 zal ik de invloed van Spinoza op Diderot bespreken en in hoofdstuk 6 zal ik ditzelfde doen voor Voltaire.
Hoofdstuk 3: Fontenelle
3.1 Inleiding
Bernard le Bovier de Fontenelle (1657-1757) was niet alleen filosoof, maar ook schrijver en dichter. Hij was de neef van de grote Franse toneelschrijver Pierre Corneille. Fontenelle werd opgeleid in het Jesuitencollege in Rouen en viel op door zijn scherpe geest. Hoewel Fontenelle van plan was om zijn vader te volgen die rechten had gestudeerd, liet hij het beroep van advocaat achter zich om zich volledig op de wijsbegeerte te storten. Doordat hij werkte bij de Academie de sciences kwam hij in aanraking met de Cartesiaanse traditie en bekritiseerde hij vele Verlichtingsdenkers. Fontenelles eigen denken heeft daarom invloeden ondergaan van Descartes, Bayle en pre-Newtoniaanse filosofen
. Het is niet uitgesloten dat Fontenelle bekend was met Spinoza.
3.2 Éloge de Régis
De enige directe referentie naar Spinoza die in dit onderzoek in het Oeuvre Complète van Fontenelle is gevonden, is de referentie in de korte biografie over Pierre-Sylvain Régis (1632-1707). Fontenelle schreef als secretaris van de Academie de Sciences enkele korte levensgeschiedenissen over wetenschappers van zijn tijd. Régis was een overtuigd Cartesiaan, die zijn theologische studies had opgegeven om zich te wijden aan de Cartesiaanse filosofie
. In 1680 schreef Régis zijn hoofdwerk, Le Système de Philosophie, dat uit drie volumes bestond: één over de logica, één over de fysica en een deel over de ethiek. In 1704 publiceerde Régis L’Usage de la Raison et de la Foy. Deze tekst behandelt Regis’ metafysica en hierin benadrukt hij het verschil tussen rede en geloof. Als bijlage van de Usage publiceerde Régis de “Refutation de l’opinion de Spinosa" waarin hij stelde dat Spinozas conclusie dat God de oorzaak is van alle creaturen en dat er niets gemeenschappelijks is tussen de creaturen, niet strookt met Spinozas eis dat alle oorzaken iets gemeenschappelijks moeten hebben in hun effecten. Fontenelle schrijft over Régis’ poging om Spinoza te weerleggen het volgende:
“Enfin il a joint à tout le livre une réfutation du système de Spinosa. Il a été réduit à développer les obscurités, nécessaires pour couvrir l’erreur, mais heureusement peu propres pour la séduction."
Opvallend aan de opmerking van Fontenelle over Régis is dat Fontenelle van mening is dat de obscuriteiten van Spinozas systeem gereduceerd zijn die Spinoza volgens hem nodig had om zijn grondfout te verbergen, maar dat Régis er toch niet geheel in is geslaagd om Spinoza te weerleggen. Niet duidelijk is echter waarom Fontenelle het geen geslaagde weerlegging vond; dit kan ten eerste aan de stijl van Régis liggen, maar het kan ook aan de argumentatie zelf liggen.
Het is mogelijk dat Régis er niet in geslaagd was om Spinoza te weerleggen, omdat hij op sommige punten Spinozas filosofie lijkt te incorporeren. Schmalz (2002) wijst bijvoorbeeld op belangrijke parallellen tussen de Usage en de Ethica van Spinoza. Zo lijkt Régis’ ongelijkheidsprincipe veel op Spinozas causale axioma. Daarnaast lijkt Régis’ argumentatie op grond waarvan hij concludeert dat “the will of God differs totally from ours, that is to say,it has nothing in common with [our will] but the name.”
equivalent te zijn aan Spinozas conclusie dat Gods intellect enkel in naam met ons intellect overeenstemt.
3.3 Histoire des oracles (1687)
De Histoire des Oracles (1687) wordt vaak aangemerkt als het werk waarin Fontenelle zich liet inspireren door Spinoza
. Bekend is dat Fontenelle met zijn Histoire op het oog had om zoveel mogelijk mensen te verlichten.
In de Inleiding zet Fontenelle direct zijn doel van de geschiedenis neer: “il faudra nécessairement que je fasse tout l’histoire des oracles, et que j’explique leur origine, leur progrès, les différents manières dont ils se rendaient, et enfin leur décadence, avec le même exactitude que si je suivais, dans ces matières, l’ordre naturel et historique."
Fontenelle lijkt daarmee een project te initiëren dat Spinoza in het Theologisch-Politiek-Traktaat opperde ten aanzien van wonderen : om wonderen te kunnen begrijpen moeten wij de verhalen kennen en nagaan of ze echt gebeurd zijn.
Fontenelle blijkt zijn twee dissertaties echter te concentreren op twee aspecten: dat de wonderen niet de oorzaak van demonen zijn en dat de wonderen niet de wereld uit zijn gegaan na de komst van Jezus. De tekst lijkt daarmee meer te berusten op het werk van de medicus Anthonie van Dale (1638-1708) dan op Spinozas filosofie
. Fontenelles conclusie dat satan bestaat en dat echte magie bestaat, lijkt ook niet te stroken met de ideeën van Spinoza, die juist het magische van wonderen ontkende.
3.4 Conclusie
De referenties naar Spinoza zijn schaars in Fontenelle. De enige directe referentie is ook niet naar het werk van Spinoza zelf, maar verwijst naar het werk van Régis. Afgezien van de Histoire des Oracles, waarin Fontenelle laat blijken op de hoogte te zijn van de ideeën die circuleerden in zijn tijd, is er geen hard bewijs dat Fontenelle het werk van Spinoza heeft gelezen.
3.5 Bibliografie
Schmaltz, T.M. (2002). Radical Cartesianism: The French reception of Descartes. Cambridge: Cambridge University Press.
Fontenelle, Oeuvres Complètes. Tome I. Editées par G.B. Depping. 1968. Genève: Slatkine Reprints.
Fontenelle, Oeuvres Complètes. Tome III. Editées par G.B. Depping. 1968. Genève: Slatkine Reprints.
Israel, J.I. (2001). Radical Enlightenment. Oxford: Oxford University Press.
Hoofdstuk 4: Traité des trois imposteurs
4.1 Inleiding
De ‘Traité des trois imposteurs’ (Verhandeling over de drie bedriegers) werd in Amsterdam rond de periode van 1700-1709 gepubliceerd onder de naam ‘L’esprit de Spinosa’
. Er zijn aanwijzingen die erop duiden dat het traktaat al rond 1680 circuleerde.
Onbekend is wie de verhandeling heeft geschreven, al is wel duidelijk geworden dat het manuscript in de Franse editie door een ander persoon is geannoteerd.
Het Franse boek is een verwijzing naar “De Tribus Imposteribus” welke circuleerde vanaf 1598 in de Westerse wereld.
Hoewel het traktaat in het Frans is geschreven, is het hoogst waarschijnlijk dat de auteur uit het radicale Nederlandse milieu kwam.
Er is wel gespeculeerd over wie de auteur van de verhandeling is geweest. Fischer (1889) wijst Jean-Maximilien Lucas of ene Vroese aan als de auteur.
Vroese wordt ook als auteur gezien door Oettinger (1854)
en later door Silvia Berti (1992).
Jan Vroese was een Rotterdamse diplomaat die contacten had met het Hugenotenmilieu. Weinig is er verder over hem bekend. De verhandeling bestaat uit zes hoofdstukken: Over God (I), over de redenen waarom de mens God heeft voorgesteld (II), wat het woord religie betekent (III), zintuiglijke en evidente waarheden (IV), van de ziel (V) en de geesten die wij demonen noemen (VI). De verhandeling berust merendeel op de denkbeelden die Spinoza uitwerkt in zijn Theologisch-Politiek traktaat, al vormt de Ethica ook waarschijnlijk een belangrijke bron voor de overtuigingen van de Traité.
4.2 Inhoud
Het eerste hoofdstuk van de Traité, welke dezelfde titel (“De Dieu”) heeft als het eerste hoofdstuk van de Ethica, zet met name de denkbeelden van Spinoza uiteen die Spinoza heeft behandeld in het zesde hoofdstuk (“On Miracles”) van het Theologisch-Politiek traktaat.
Het hoofdstuk van de Traité benadrukt de onwetendheid van de gewone mens ten aanzien van God, de ziel en de geesten. De toon in het Traité is echter veel polemischer en radicaler dan Spinozas eigen woorden, terwijl de strekking in grote lijnen dezelfde is.
Het tweede hoofdstuk, getiteld ‘Des Raisons qui ont engagé les hommes à se figurer un Etre invisible qu’on nomme communément Dieu’
, lijkt meer te zijn gebaseerd op de Appendix van Hoofdstuk 1 uit De Ethica. Het tweede hoofdstuk legt op een iets rustigere toon dan het eerste hoofdstuk uit, dat mensen zich een magische kracht of een hoog zijnde voorstellen omdat zij zich ongerust voelen of onwetend zijn over de fysieke oorzaken van de natuur. Ook wordt de menselijke fout behandeld waarin de mens van mening is dat God lijkt op haar: “les hommes ont cru qu’ils leur ressemblaient et qu’ils faisaient comme eux toutes choses pour quelque fin.”
Deze zin lijkt duidelijk te komen uit de Appendix van het eerste hoofdstuk van De Ethica waarin Spinoza stelt: “that men commonly suppose that all natural things act, as men do, on account of an end; indeed, they maintain as certain that God himself directs all things to some certain end, for they say that God has made all things for man, and man that he might worship God.”
De paragrafen I tot en met X vormen samen een uitgebreide samenvatting van alle punten die Spinoza behandeld in de Appendix van het eerste hoofdstuk van de Ethica. Opvallend is dat de rustige toon van het eerste deel van het tweede hoofdstuk van de Traité in paragraaf XI wordt doorbroken, waardoor deze paragraaf qua schrijfstijl weer aansluit op het eerste polemische hoofdstuk. Hier wordt het idee van de Bijbel als historisch, fragmentarisch boek dat door verschillende soorten personen is geschreven en daardoor niet de zuiverheid heeft welke de wetten van de natuur wel heeft, uiteengezet en wordt gesteld dat de Bijbel enkel is gebruikt om onwetenden te manipuleren. Deze paragraaf lijkt meer gebaseerd te zijn op Spinozasdenkbeelden uit het Theologisch-Politiek Traktaat.
4.3 Conclusie
Het traktaat is waarschijnlijk niet door een Fransman geschreven, maar hoogstwaarschijnlijk afkomstig van het radicale Nederlandse mileu. Omdat het traktaat in slecht Frans is geschreven, is het niet waarschijnlijk dat het traktaat heel veel populariteit in Frankrijk heeft gehad.
4.4 Bibliografie
Israel, J.I. (2001). Radical Enlightenment. Oxford: Oxford University Press.
Curley, E, (1994). A Spinoza Reader. The Ethics and other Works. Princeton University Press.
Anoniem (?). Les Trois Imposteurs. Van internet gehaald: http://64.233.183.104/search?q=cache:JqVVt0vxa6QJ:www.infidels.org/library/historical/unknown/three_impostors.html
Fischer, K. (1889). Descartes und seine schule. Zweiter Theil, Heidelberg, pagina 101.
Oettinger (1854). Bibliographie Biographie Universelle. Brussel.
Silvia Berti, ‘The First Edition of the Traité des rios imposteurs and its Debt to Spinoza’, in: Michael Hunter & David Wootton (red.), Atheism from the Reformation to the Enlightenment (Oxford 1992) p. 188-215.
Hoofdstuk 5: Diderot
5.1 Inleiding
Denis Diderot (1713-1784) was naast filosoof; dichter, theaterschrijver en kunstcriticus. Ook hield hij zich bezig met politiek. Diderot werd een belangrijke denker van de Verlichtingstijd door het schrijven en het publiceren samen met andere denkers zoals Voltaire. Rousseau en D’Alembert van de Encyclopédie. Tussen 1749 en 1776 was Diderot samen met D’Alembert redacteur van de Encyclopédie
.
5.2 Entretien entre D’Alembert et Diderot
Diderot is met name bekend geworden door het redigeren en schrijven van de Encyclopédie. Tijdens dit project werkte hij samen met D’Alembert. Diderot heeft in zijn Entretien entre D’Alembert et Diderot zijn denken verwerkt in een waarschijnlijk fictieve dialoog tussen hem en zijn vriend. Ook in de Droom van D’Alembert heeft Diderot zijn denken uiteengezet via de spreekbuis van D’Alembert.
In de Entretien zijn duidelijke overeenkomsten te zien tussen het denken van Diderot en het denken van Spinoza. In de Entretien lijkt Spinoza te verwijzen naar belangrijke elementen uit de Ethica, zoals de stelling dat: “By God I understand a being absolutely infinite, that is, a substance consisting of an infinity of attributes, of which each one expresses an eternal and infinite essence.”
Spinoza beweert dat er maar één substantie is, te weten God. Alle andere dingen zoals de geest en het lichaam zijn ofwel modi van deze substantie of attributen van deze substantie.
Diderot behandelt deze Spinozistische aspecten van de wereld in diverse delen van de Entretien:
“Un Etre qui est inétendu et qui occupe de l’étendue, qui est tout entier sous chaque partie de cette étendue ; qui diffère essentiellement de la matière et qui lui est uni ; qui la suit et qui la sten dmeut sans se mouvoir ; qui agit sur elle et qui en subit toutes les vicissitudes ; un Etre dont je n’ai pas la moindre idée ; un Etre d’une nature aussi contradictoire et difficile à admettre. Mais d’autres obscurités attendent celuit qui le rejette ; car enfin cette sensibilité que vous lui substituez, si c’est une qualité générale et essentielle de la matière, il faut que la pierre sente."
Diderot behandelt hier aspecten van Spinozas denken zoals de uitgebreidheid van de substantie en het feit dat alles in de wereld onderdeel is van deze substantie. Daarnaast trekt hij het gevolg dat hierdoor een ‘steen moet voelen’. Deze consequentie lijkt echter niet te volgen uit Spinozas filosofie zelf, die juist materialistisch was ten aanzien van de dingen in de natuur.
In het tweede citaat uit de Entretiens, bespreekt Diderot het monisme van Spinoza. De bespreking van Diderot hier van het denken van Spinoza lijkt correct te zijn:
‘Il n’y a plus qu’une substance dans l’univers, dans l’homme, dans l’animal. La serinette est de bois, l’homme est de chair. Le serin est de chair, le musicien est d’une chair diversement organisée ; mais l’un et l’autre ont une même origine, une même formation, les mêmes fonctions et la même fin."
De citaten geven duidelijk Diderots interesse in Spinozas denken aan. Ook in andere delen van Diderots oeuvre, blijft hij verwijzen naar Spinoza en vertoont zijn denken overeenkomsten met het denken van Spinoza.
5.3 La promenade du sceptique
Vernière (1954) beweert dat de invloed van Spinoza op het denken van Diderot ook naar voren komt in La promenade du sceptique. In La Promenade, behandelt Diderot het denken van de sceptici, de atheïsten, de deïsten en de pantheïsten. Opvallend is dat Diderot hier het denken van Spinoza niet interpreteerd als atheïstisch – zoals veel van zijn tijdgenoten wel deden-, maar als pantheïstisch:
“Ici on se joue de la raison et de quelques expressions équivoques pour insinuer que le prince fait partie du monde visible, que l’univers et lui ne sont qu’un, et que nous sommes nous-mêmes des parties de son vaste corps. Le chef de ces visionnaires
fut une espèce de partisan qui fit de fréquentes incursions, et jeta souvent l’alarme dans l’allée des épines. "
Vernière ziet de Promenade als Diderots zoektocht naar de ‘ware filosofie’. Diderot wil graag het beste uit de verschillende stromingen halen. Zijn droom daarbij is dat de verschillende stromingen worden verenigd tot een harmonieus filosofisch systeem:
“C’est là que j’ai vu le pyrrhonien embrasser le sceptique, le sceptique se réjouir des succès de l’athée, l’athée ouvrir sa bourse au déiste, le déiste faire des offres de service au spinoziste ; en un mot toutes les sectes de philosophes rapprochées et unies par les liens de l’amitié."
5.4 De Encyclopédie
Diverse begrippen die in de Encyclopédie worden behandeld, verwijzen naar de leer van Spinoza. Ook wordt er frequent verwezen naar ‘Spinozisme’. Het is overigens onduidelijk wie de entry over Spinoza zelf heeft geschreven. Tegenwoordig gaat men er niet vanuit dat de entry geschreven is door Diderot
. Wel is zeker dat de entries over het ‘naturalisme’ en het ‘spinozisme’ , waar expliciet wordt verwezen naar Spinoza, door Diderot zijn geschreven. Ook in de entry die Diderot geschreven heeft over Hobbes, verwijst Diderot naar Spinoza:
“S’il ne fut pas athée, il faut avouer que son dieu diffère peu de celui de Spinoza."
Ook hier beweert Diderot dat Spinoza geen atheïst was, maar een conceptie van God had die anders was dan de gangbare manier van denken. In de definitie van naturalisme, stelt Diderot echter het Spinozisme gelijk aan het atheïsme:
“On donne encore le nom naturaliste à ceux qui n’admettent point de Dieu, mais qui croient qu’il n’y a qu’une substance matérielle, revêtue de diverses qualités qui lui sont aussi essentielles que la longueur, la largeur, la profondeur, et en conséquence desquelles tout s’exécute, nécessairement dans la nature comme nous le voyons ; naturaliste en ce sens est synonyme à athée, spinoziste, matérialiste, etc. "
In de definitie van ‘Spinozisme’ maakt Diderot een onderscheid tussen ‘oude Spinozisten’ en ‘moderne Spinozisten’. Diderot beschrijft in de entry alleen de opvatting van de moderne Spinozisten en de manier waarop zij verschillen van de oude Spinozisten:
“Sectateur de la philosophie de Spinoza. Il ne faut pas confondre les spinozistes anciens avec les spinozistes modernes. Le principe général de ceux-ci, c’est que la matière est sensible, ce qu’ils démontrent par le développement de l’œuf, corps inerte, qui par le seul instrument de la chaleur graduée passe à l’état d’être sentant et vivant, et par l’accroissement de tout animal qui dans son principe n’est qu’un point, et qui par l’assimilation nutritive des plantes, en un mot, de toutes les substances qui servent à la nutrition, devient un grand corps sentant et vivant dans un grand espace. De là ils concluent qu’il n’ya que de la matière, et qu’elle suffit pour tout expliquer ; du reste ils suivent l’ancien spinozisme dans toutes ses conséquences."
5.5 Conclusie
In het werk van Diderot zijn diverse verwijzingen gevonden naar Spinoza. Ook zijn er een aantal overeenkomsten tussen het denken van Diderot en Spinoza die het aannemelijk maken dat Diderot bekend was met het denken van Spinoza. Toch is het denken van Diderot niet zuiver Spinozistisch; Diderot is tevens beïnvloed door het fatalisme en het naturalisme van wetenschappers van zijn tijd. Bekend is ook dat Diderot een groot aantal 17e-eeuwse en 18e-eeuwse filosofen en wetenschappers gelezen heeft
. Dit gegeven rechtvaardigt echter allerminst de conclusie dat Diderot het werk van Spinoza heeft gelezen. Hoewel het denken van Diderot zeker beïnvloed is door Spinozas filosofie en Diderot in zijn werk verwijst naar opvattingen uit de Ethica en de TTP, is niet aangetoond dat hij de kennis van Spinoza uit Spinozas werk zelf heeft gehaald of zich baseert op wat tijdgenoten van hem wisten.
5.6 D’Alembert: “Essai sur les éléments de philosophie"
D’Alembert heeft zich net als Diderot beziggehouden met het schrijven van de Encyclopédie. Ook D’Alembert was geïnteresseerd in filosofische systemen, hoewel hij meer dan Diderot zich interesseerde voor de mathematische kant hiervan. D’Alembert lijkt in zijn oeuvre ook minder politiek geëngageerd dan Diderot. D’Alembert is met name onder de indruk van de systemen van Newton en Locke.
In Essai sur les éléments de philosophie, werkt D’Alembert uit aan welke eisen een goed filosoof moet voldoen. De filosoof moet volgens D’Alembert de filosofische waarheden cultiveren . De filosofische waarheden worden verkregen door de juiste methode te hanteren. In het volgende citaat, legt D’Alembert het verschil uit tussen waarheden die op zichzelf staan en waarheden die afgeleid moeten worden uit andere waarheden. D’Alembert schuwt hier het gebruik van axioma’s, waardoor het citaat een indirect verwijt wordt naar het axiomatisch bouwwerk van Spinozas Ethica:
"Les vérités du premier genre ont pour caractère distinctif de ne dépendre d’aucune autre, et de n’avoir de preuves que dans elle-mêmes. Plusieurs lecteurs croiront que nous voulons parles des axiomes, et ils se trompent ; nous les renvoyons à ce que nous en avons dit ailleurs, (d) que ces sortes de principes ne nous apprennent rien à force d’être vrais, et que leur évidence palpable et grossière se réduit à exprimer la même idée par deux termes différents ; l’esprit ne fait alors autre chose que tourner inutilement sur lui-même sans avancer d’un seul pas. Ainsi les axiomes, bien loin de tenir en Philosophie le premier rang, n’ont pas même besoin d’être énoncés. "
D’Alembert beweert verder dat het ook niet de taak van de filosoof is om zich bezig te houden met substanties, of abstracte begrippen. Waarschijnlijk is D’Alembert hier geïnspireerd door het inductivisme van Bacon:
“La Philosophie n’est point destinée à se perdre dans les propriétés générales de l’être et de la substance, dans des questions inutiles sur des notions abstraites, dans des divisions arbitraires et des nomenclatures éternelles ; elle est la Science des faits, ou celle des chimères. "
Hoewel de bovenstaande citaten tegen het denken van Spinoza ingaan, is het niet aannemelijk dat D’Alembert zich bezighield met de filosofie van Spinoza. In tegenstelling tot Diderot, verwijst D’Alembert in zijn oeuvre nergens direct naar Spinoza of het Spinozisme.
5.7 Bibliografie
Diderot, D. Diderot Ecrits Philosophiques. Ed. door J.J. Pauvert. 1964. Amsterdam.
Vernière, P. (1954). Spinoza et la pensée française avant la revolution. Paris : Presses Universitaires de France.
Diderot, D. Oeuvres. Tome I-V. 1994. Bouquins. Robert Laffont. Paris.
D’Alembert, Jean le Rond. Essai sur les éléments de philosophie. Tours : Fayard, 1986.
Hoofdstuk 6 : Voltaire
6.1 Inleiding
Voltaire (1694-1778) schreef filosofische verhandelingen, romans, theaterstukken en gedichten. Zijn oeuvre is zo omvangrijk, dat voor dit onderzoek gekozen is om dertien delen van de achtenzeventig delen te lezen en te bekijken op sporen van Spinoza. Voltaire leest als een verbitterd denker, die geregeld uithaalt naar zijn tijdgenoten. Voltaire lijkt te schrijven bij de gratie van het oneens zijn. Alleen Fontenelle en Bayle komen redelijk ongeschonden zijn kritiek door. Wellicht zette Voltaire zich af tegen zijn tijdgenoten, omdat deze naar zijn smaak te radicaal waren. Israel beweert dat Voltaire een gematigd verlicht denker was, die zich meer dan zijn tijdgenoten nog identificeerde met het traditionele denken
.
Duidelijk is dat Voltaire Spinoza een dwaallicht vond en Leibniz een dwaas. In ‘Candide’ maakt Voltaire duidelijk dat de wereld helemaal niet ‘de best mogelijk is’ en dat er wel een God is, maar die zich zeker niet bemoeit met van alles en nog wat. Voltaire rekent daarmee af met Leibniz, terwijl Leibniz afrekende met Spinoza. Dat Voltaire ook weinig op had met Spinoza, blijkt uit het gedichtje over Spinoza:
“Toen kwam er een joodje met een lange neus, bleek gelaat
Arm maar tevreden, bedachtzaam, desolaat
Subtiel van geest, op het lege af, meer geroemd dan gelezen
Verstopt onder de mantel van Descartes, zijn meester
En stapte met gemeten schreden naar het grote Wezen
Excuseer zei hij met nauwelijks hoorbaar gefluister
Maar ik denk, onder ons gezegd, dat u niet bestaat.”
5.2 Referenties naar Spinoza
Wat opvalt aan de referenties die naar Spinoza zijn gevonden, is dat ze allemaal de onschuldigheid van het denken van Spinoza willen aantonen. Spinoza was volgens Voltaire geen gevaarlijk denker, omdat Spinoza zijn denkbeelden niet gebruikte om op te roepen tot geweld. Voltaire schrijft dan ook in de Sur les contradictions de ce monde dat : "Le fameux athée Spinosa vécut et mourut tranquille". Voltaire gebruikt Spinoza elke keer om aan te geven dat het atheïsme, dat Spinoza verdedigt in de ogen van Voltaire, minder gevaarlijk is dan het fatalisme dat uitgedragen wordt door theologen:
“Ce n’est ni Montaigne, ni Locke, ni Bayle, ni Spinosa, ni Hobbes, ni milord Shaftesbury, ni M. Collins, ni M. Tholand, etc., qui ont porté le flambeau de la discorde dans leur Patrie ; ce sont, pour la plupart, des Théologiens, qui, ayant eu d’abord l’ambition d’être chefs de Secte, ont eu bientôt celle d’être chefs de parti. Que dis-je ! tous les livres des Philosophes modernes mis ensemble ne feront jamais dans le monde autant de bruit seulement qu’en a fait autrefois la dispute des Cordeliers sur la forme de leur manche et de leur capuchon. »
In Filosofisch Woordenboek, is Voltaire explicieter over het geweldloze denken van Spinoza dat weliswaar onconventioneel en onwaar was, maar niet aanzette tot politiek vuil spel en geweld :
“Spinoza was niet alleen atheïst, hij predikte het atheïsme, maar hij had part noch deel aan de gerechtelijke moord op Van Oldebarnevelt. Hij was ook niet degene die de gebroeders De Witt in stukken reet en de geroosterde brokken opat.”
5.3 Conclusie
Van Voltaire kan met zekerheid gezegd worden dat hij het werk van Spinoza nooit heeft gelezen. Hij verwijst nooit naar aspecten van het denken van Spinoza, maar refereert enkel naar de persoon Spinoza; de bekende atheïst. Omdat Voltaire voornamelijk Pierre Bayle volgt, is het aannemelijk dat Voltaire Spinoza kende via de geschriften van Bayle.
Hoofdstuk 7: Conclusie
In deze scriptie is onderzocht in welke mate de Franse verlichtingsdenkers Fontenelle, Diderot, D’Alembert en Voltaire kennis hebben gehad van de filosofie van Spinoza. Van Fontenelle, Diderot en D’Alembert is het gehele oeuvre gelezen, van het oeuvre van Voltaire zijn dertien delen gelezen, waarin ik mij met name heb geconcentreerd op zijn filosofisch werk. Het onderzoek heeft in totaal 1 jaar in beslag genomen.
Het resultaat van het onderzoek is dat in totaal 7 directe referenties zijn gevonden naar Spinoza en 5 referenties naar Spinozisme. Opvallend is dat het merendeel van de referenties ofwel gaan over het vermeende atheïsme van Spinoza ofwel over Spinoza als persoon zelf gaat. Een uitzondering hierop vormt Diderot, die meer de denkbeelden van Spinoza behandelt.
Jonathan Israel beweert dat in het verleden te weinig recht is gedaan aan de invloed van Spinoza op het radicale Verlichtingsdenken. Te vaak is Verlichting primair geassocieerd met Engelse of Franse denkers zoals Voltaire of Locke. Spinoza zou volgens Israel een grote invloed hebben gehad op denkers zoals Fontenelle en Diderot en zou één van de belangrijkste denkers van de Verlichting zijn geweest. Deze scriptie is er niet in geslaagd om deze overtuiging van Israel te bevestigen. De referenties die gevonden zijn, verwijzen vaak niet direct naar tekstgedeelten van bijvoorbeeld de Ethica of de TTP, waardoor het problematisch wordt om te concluderen dat Franse denkers beïnvloed waren door het denken van Spinoza. De conclusie die het resultaat meer rechtvaardigt, is dat Spinoza wel bekend was in Frankrijk vanwege zijn radicale standpunten, maar dat van een grondige kennis van zijn filosofie geen sprake was.
Toch kan er op grond van het onderzoek wel wat conclusies getrokken worden over de Verlichtingstijd in Frankrijk. Waar deze scriptie ten eerste op duidt, is dat de Verlichingsdenkers onderling geen filosofisch homogeen denkkader deelden. Er zijn wel een aantal aspecten die de gelezen filosofen met elkaar delen, zoals bijvoorbeeld de overtuiting dat kennis van de natuur moet worden verkregen, maar de denkers verschillen meer dan dat ze met elkaar overeenkomen. De ene filosoof voelde zich daardoor meer aangetrokken tot het radicale denken van Spinoza dan de andere. Daarnaast was het voor veel filosofen van de Verlichtingstijd moeilijk om het eigen standpunt uit te dragen, omdat er in die tijd nog sprake was van vervolging door de kerk op grond van ketterij. Filosofen konden daardoor ondanks hun sympathieën met Spinoza, er niet altijd voor uitkomen dat ze Spinozist waren. Wim Klever beweert bijvoorbeeld dat Pierre Bayle een groot fan was van Spinoza, terwijl Bayles schrijven over Spinoza juist een uitgesproken afkeer uit. De invloed van Spinoza wordt hierdoor moeilijker vast te stellen.
Wat de gevonden referenties ten tweede laten zien, is dat het woord ‘Spinozisme’ werd gebruikt voor alle filosofieën die neigden naar atheïsme. ‘Spinozisme’ was in de Verlichtingstijd het scheldwoord bij uitstek om je tegenstander buiten spel te zetten. Israel ziet evenwel in het wijdverspreide gebruik van het woord ‘Spinozisme’ het bewijs voor de enorme invloed die Spinoza had op de Verlichtingsdenkers. Mijn inziens is dit een te verregaande conclusie. Hoewel filosofen bekend waren met de term ‘Spinozisme’, wordt de term geenzins uniform gebruikt. De term lijkt meer een eigen leven te hebben gehad dan dat de term te maken had met een invloed van Spinoza.
Daarnaast is het onduidelijk of het denken van Spinoza in Frankrijk werd verspreid door het werk van Spinoza zelf, of werd verspreid door spreekbuizen van Spinoza zoals Pierre Bayle of door het traktaat van de Trois Imposteurs. Zelfs als filosofen verwijzen naar Spinoza of het denken van Spinoza, dan is daarmee nog niet gezegd dat zij het werk van Spinoza ook lazen. Hierover kan enkel worden gespeculeerd. Van Voltaire is bijvoorbeeld aannemelijk dat hij geen enkele letter van het werk van Spinoza heeft gelezen, maar Spinoza enkel kende via het werk van Bayle. De enige denker waarvan het vermoeden kan bestaan dat hij het werk van Spinoza daadwerkelijk heeft gelezen, is Denis Diderot. Diderot besteedt veel aandacht aan de denkbeelden van Spinoza en zijn denken vertoont ook enige overeenkomst met het denken van Spinoza. Toch is ook hier niet met zekerheid te stellen dat hij bekend was met het natuurdenken of de metafysica van Spinoza. Yves Citton beweert bijvoorbeeld in L’envers de la liberté dat Diderot en andere Franse filosofen Spinoza wel kenden, maar dat het werk van Spinoza niet werd gelezen. Citton stelt daarnaast dat het onmogelijk is om de invloed van Spinoza te achterhalen, omdat de denkers niet als afzonderlijke eilandjes werkten, maar intens contact met elkaar onderhielden en elkaar over en weer beïnvloedden
. Citton beweert dat er sprake was van een ‘fantoom-aanwezigheid’ van Spinoza waarin iedereen elkaar betichtte van Spinozisme zonder werkelijk iets af te weten van Spinozas filosofie. De resultaten van deze scriptie kunnen deze overtuiging van Citton niet weerleggen en onderstrepen zelfs in sommige gevallen deze conclusie.
Het vaststellen van de invloed van Spinoza blijft daarom giswerk. Het enige wat kan worden vastgesteld is dat de ene denker meer affiniteit had met Spinozisme of de filosofie van Spinoza dan de andere; Diderot blijkt bijvoorbeeld meer met Spinoza te hebben dan Voltaire. Of dit betekent dat Diderot het werk van Spinoza gelezen heeft, is echter een geheim dat de geschiedenis bij zich houdt.
Bijlagen: Sporen van Spinoza
|